Klaagzang van december

zondag 11 juli 2010

Men noemt mij de maand van het rijmen en dichten,
Dat stemt mij bepaald niet gelukkig.
Ik zie dan kleinogig verkrampte gezichten
Van rijmers, mismoedig en nukkig.

Waar doen ze dat voor? Tja, ik ben Sinterklaasmaand,
Waarin men, rond pakken kadootjes,
Elkaar tot het smikken van veel speculaas maant
Nog druil van te kruidige nootjes.

Met pakjes, surprises, mislukkig gerijmel
Vangt aan mijn zo ‘feestelijk’ leven.
Met boompjes, met lampjesschijn, heilig gezwijmel
Is ’t einde verdroevig omgeven.

Dat slotfeest heet Kerst, en dat is voor de meesten
Ook reden tot uitgavenstijging.
Niet dat er iets loos is met christense feesten,
Maar wel met die veelkoopse neiging.

Gans word ik beheerst door ontzette commercie
En zo zal het altijd wel blijven.
Toch uitte ik snerig mijn schrome aversie;
Gefeest moet men niet overdrijven.

— December. —

Commentaar anno 2010:
Gepubliceerd in KIK (het maandblad van de Tilburgse letterenfaculteit), december 1995.
‘Bijzonderheden’: beetje creatief proberen te zijn met het bedenken van woorden. De elfde regel kan ook worden gelezen als “Met boompjes, met lampjes, schijnheilig gezwijmel”.


De eerste mug

vrijdag 2 juli 2010

Het leek een stofje, maar het was
De eerste mug van dit seizoen
Vloog in mijn kamer, onbewust
Dat hij daar niet gewenst zou zijn

De eerste mug, nog jong en fris
De lente was er ook voor hem
(Of misschien was het wel een ‘zij’
Ik weet niet waar je dat aan ziet)

De eerste mug, zo jong en speels
Ontweek drie keer die grote hand
Maar werd geraakt, en niet eens vol
– Een schampschot – en was vleugellam

Hij zweefde neer, beduusd, verdoofd
En werd meteen weer opgepakt
Een straal heet water uit de kraan
De eerste mug in het riool

Toelichting:
Geheel en al waar gebeurd. Om precies te zijn op 21 maart 1995, toen ik in Trondheim woonde en ik op mijn kamer in het prille lentezonlicht opeens een mug ontwaarde. En ik hou niet van muggen.

Voor de verandering zit er geen rijm in, maar het is wel metrisch. Ik denk dat ik hiertoe geïnspireerd ben geraakt door het lange gedicht ‘Hiawatha’s Photograp­hing’ van Lewis Carroll, van wie ik in die tijd het verzameld werk aan het lezen was. Wat het aantal versvoeten per regel betreft is mijn ge­dicht hetzelfde opgebouwd als dat van Carroll, op één ding na: ‘Hiawatha’s Photographing’ is geschreven in trocheeën (vers­voeten met eerst een beklemtoonde en dan een onbe­klemtoonde letter­greep), mijn gedicht is in jam­ben (precies het omgekeerde van trocheeën).